Fotoserie

Vondst(2025)

0.

Het woord gewoon is in Nederland voor mij nog meer een monument dan het begrip gezellig. Het vanzelfsprekende verwachtingspatroon is onovertroffen. Geen gedoe, geen poespas: gewoon. Het wederkerig verlangen dat erin zit, dat het ook doet wat jij normaal zou vinden, dat maakt het tot een veelgebruikt voorvoegsel. In het midden- en kleinbedrijf vooral, ik noem een Gewoon Kaas, Supermarkt Gewoon, Gewoon Hout, Gewoon Roel (loodgieter) of Gewoon Kim (bloemist), of het huismerk van de Spar: g’woon.

Paulien Cornelisse schreef in Taal is zeg maar echt mijn ding dat gewoon wordt gebruikt om iets wat niet gewoon is, gewoon te laten lijken. Zoals, ‘dan rij je gewoon dit weekend op en neer naar Boekarest’, of ‘dan ga je toch gewoon scheiden?’ Het lijkt een hele onderneming, maar zet er gewoon tussen en het lijkt ineens haalbare kaart. Het is de toverstaf van de Nederlandse taal. Want de wens om normaal te doen, dat is het sociaal wenselijk gedrag wat ons zó vaak is voorgeleefd. Maar dan zijn er ook woonzaken en restaurants die het experiment aangaan. Die heten Gewoon Anders, of Gewoon Lekker Anders. Ja, daar krijg ik dus kortsluiting van. Is het nu gewoon of is het anders? Of is het volkomen vanzelfsprekend om het gewoon anders te doen? Dat is denk ik de juiste weg. In deze serie bepreek ik fenomenen die in Nederland het predicaat gewoon anders verdienen.

1.

In het Nederlands hebben we officieel geen klinkerloze woorden, maar in het segment van de bedrijfs- en winkelnaamgeving wordt er druk mee geëxperimenteerd. De eerste die ik ooit zag was SPRMRKT, een hippe conceptstore op de Rozengracht in Amsterdam, die in een oude supermarkt zat. Meteen ook een subliem voorbeeld, de ‘ontklinkering’ werkt het best in woorden die omsloten zijn door medeklinkers en waar je in één oogopslag het oorspronkelijke woord kan raden. Dat RSTRNT nog niet bestaat is een raadsel, werkt prima. Projectontwikkelaar KRKTR bestaat wel, werkt ook. Bij de EVNMNTN-specialist zie je dat ze het niet aandurfden om de eerste E ook weg te halen – dan kom je er echt niet meer uit. Veel klinkerloze ondernemingen ambiëren met hun compacte naam anders dan anderen te zijn, en hipper. TGLS bijvoorbeeld; zij promoten zichzelf als de ‘Pietje Bell van de tegelwereld’. Hun naam spreek je trouwens wel uit zoals PSV of ANWB, alle letters los. Jesse Huisman, van FLFL zegt ook: „Hallo met ef-el-ef-el”, als hij de telefoon opneemt. „Wij zijn ooit begonnen als de Falafel-bakkerij maar dit werkt veel beter. En ook toepasselijk: zowel in het Hebreeuws als in het Arabisch worden de klinkers wel vaker ingeslikt. Voor onze vestiging op Utrecht Centraal hebben we wel een uitzondering gemaakt. Daar staat het hele woord uitgeschreven, want daar lopen potentiële klanten zo snel voorbij, zou toch zonde zijn als ze in de trein zitten en zich dan pas realiseren: oh falafel!

2.

Ook in de hekwerkbranche wordt steeds meer gewerkt volgens de idee van de maakbare samenleving. Want waren op evenementen en bouwlocaties vroeger de zwarte zeilen standaard, tegenwoordig is een groen uitzicht al bijna de norm. Eerst was vooral de hedera-print populair maar de diversiteit van de hekdoeken is tegenwoordig niet meer bij te houden. Bij de NAVO-top was de EXPO Greater Amsterdam als logistiek centrum een drukke locatie, maar de militairen hebben geen hek gezien, die zagen een prachtig bos in sappig tegenlicht. In dit genre is het uitzicht op een bloemenveld met klaprozen ook een hit, die zet de omgeving van station Amsterdam Sloterdijk al weken in bloei. Of wat dachten we van het bosgezicht met witte wilde hyacinten die een prachtige symbiose vormen met de wel ‘echte’ kogeldistel en adderwortel op de voorgrond. Wat kunnen we nog allemaal verwachten in de publieke ruimte? Wouter van Sonsbeek van Massa Verhuur in Geffen levert een hek met de uitstraling van een rustieke houten schutting met een randje klimop. „Daar verhuren we er elk jaar meer van. Die zet je zo neer en klaar. Ook omdat er steeds meer campings komen bij festivals en dan is zoiets natuurlijk leuk. We verhuren ook losse hekken die dan worden bekleed met bamboe- of wilgenrollen, maar die moet iemand dan vastzetten met tiewraps, dat is veel arbeidsintensiever.” Voor zijn vip-klanten is er een etalage met de nieuwste zeilbedrukking. Bakstenen met klimop, een print met Flintstone-stenen of industriële ijzeren platen, alles met felrealistische uitstraling. De toekomst van de hekwerkbranche ziet er goed uit. Het is nog steeds een versperring, maar wel eentje met goed uitzicht.

3.

De poging om een bedrijfsmatige activiteit te voorzien van een persoonlijke benadering zien we overal. Mijn mailbox puilt uit van berichten van ‘Peter van Swapfiets’, ‘Louis van Justrussel’ of ‘Anne van Zalando’. Op mij heeft dat een averechtse uitwerking, omdat de suggestie wordt gewekt dat je écht intermenselijk contact kan verkrijgen. Maar een goede naam op een aansprekende manier combineren met je bedrijfsactiviteit, daar ben ik wel gevoelig voor. Dat landschap valt uit te splitsen in de twee stromen van allitereren en rijmen. De eerste is natuurlijk een klassieker, bij Disney wisten ze bijvoorbeeld wel dat Mickey Mouse en Donald Duck lekker blijven plakken. Dat is bij Broodje Ben of Kees Kroket natuurlijk niet anders. In de frituurwereld heb je wel een interessante clash. Daar heb je de alliteratie, Piet Patat, maar ook de rijm, Piet Friet of Friet van Piet. Het lijkt allebei prima te werken. Of neem Boutique van Monique uit Ridderkerk, waar je dus gewoon geholpen wordt door eigenaresse Monique. Deniz Döner uit Beverwijk heeft dezelfde methode: persoonlijk, warm en echt. En die gaat ook op voor Hans Bouwmeester van het transportbedrijf HansTrans. Bij Friet van Piet in Groningen heeft Kenji Hua de zaak overgenomen van de zoon van Piet, maar die laat de naam lekker staan: „Friet van Kenji, daar gaan we niet meer friet mee verkopen.”

4.

In de Nederlandse voortuin is het niet ongebruikelijk een verwijzing te zien naar de identiteit van de bewoner. Een bekende is het anker als sierobject. Daar woont vaak iemand met een nautisch verleden, een gepensioneerde kapitein of een garnalenvisser. Mooie symboliek om thuis dan ook voor anker te gaan. Ik ken ook een balpennenverzamelaar met een enorme betonnen pen naast de voordeur. Nog opvallender in dit segment is de tuinierende trucker. Want die heeft regelmatig een versteende mini-vrachtwagen, in detail uitgevoerd, met daarachter dan meestal een ‘oplegger’ die in de voortuin transformeert tot bloembak. Vaak wordt de truck geplaatst in een onderhoudsarme omgeving, dan valt hij nog meer op. Wim van den Brink uit Barneveld is met betonauto.nl verantwoordelijk voor een deel van de Nederlandse voortuinvloot op miniatuurschaal. Hij maakt mallen uit isolatiemateriaal die hij dan laat gieten. „Mijn klanten komen vaak met een foto van een vrachtwagen waar ze een emotionele band mee hebben. Of ik die van beton kan maken. Het moet er dan wel eentje zijn waar ik al een model van heb, een Scania bijvoorbeeld. Of een DAF. Wil je wel in de krant zetten dat ze niet allemaal tegelijk moeten bellen? Anders krijg ik het te druk, dat moeten we niet hebben.”

5.

Het ambachtelijke stoepbord is een vorm van direct marketing die bijna uit het straatbeeld is verdwenen. Maar de laatste exemplaren, die vaak letterlijk op hun laatste geveerde pootjes staan, houden nog verrassend lang stand. De stoepborden zijn waarschijnlijk het uitvloeisel van de oermarketing uit de Middeleeuwen, toen het gros van de bevolking nog analfabeet was. Toen werkte de middenstand al met afbeeldingen van varkens, een brood en een vis aan de gevel. Een big met een slabbetje om is anno 2025 natuurlijk nog steeds een eenduidige boodschap. Slager Edwin Wiebrands in Bellingwolde heeft nog een opvallend gaaf exemplaar langs de weg, maar dat stond er ook al toen zijn ouders de zaak nog hadden, en dat is al meer dan 25 jaar geleden. Hetzelfde geldt voor de vrolijke kok van Cafetaria de Venne in Winschoten. Die zat ooit bij de inboedel toen de huidige eigenaar Johan Sneijders de zaak overnam. Ruwe schatting: 40 jaar oud. De meeste borden staan pal voor de winkel waarbij ze horen, maar in de Van Eeghenstraat in Amsterdam wijst al jaren een bloemenmeisje de weg naar de kraam van Barry de Bie, vijftig meter verderop in de straat. De Bie: „Zij heeft zelfs nog een keer geholpen bij een fietsongeluk. Knalden er twee op elkaar, eentje kwam precies tegen het bord aan, maar ze veerde rustig mee en ving de fietser dus gewoon op. Die mensen kwamen mij nog bedanken, haha.”

6.

Aan de Burgemeester Meineszlaan in Rotterdam ligt het Paaltjesmuseum, de landelijke tentoonstelling voor paal. Dit beknopte openluchtmuseum (op straat) laat in één oogopslag zien wat Nederland Paaltjesland in zijn mars heeft. Natuurlijk zit het paaltje met de meest prestigieuze naam er ook tussen: de diamantkoppaal. Voor mij net zo alledaags als een 30 bij 30 centimeter grijze stoeptegel, maar dankzij zijn naam is het toch ook een beetje de edelsteen onder het straatmeubilair. Die naam heeft-ie te danken aan de vierkantige afgeschuinde kop, iets wat waarschijnlijk al vanaf de Middeleeuwen bestaat. In de tijd dat de diamantkoppaal alleen nog van hout werd gemaakt, zorgde het ervoor dat het regenwater niet op de kop bleef liggen en de paal snel weg zou rotten. Ook is het handig dat het buitengewoon oncomfortabel is om op het paaltje te gaan zitten, in wezen een subtiele vorm van hostile architecture. Tegenwoordig is de afgeschuinde kop wel heel subtiel, maar de vorm doet nog steeds zijn werk. De houten variant, ook met reflectorbandjes is nog wel in de handel maar bijna drie keer zo duur. Daarom is de versie van kunststof nu dominant in het landschap. Solitair zie je hem regelmatig, maar hij komt het best tot zijn recht in groepsverband. Vaak in lange rechte stroken achter elkaar om te voorkomen dat auto’s of fietsen ergens gaan rijden waar wij ze als samenleving niet willen hebben. Het Mekka van de diamantkoppaal is in Nederland het Delflandplein in Amsterdam. Het hele plein is daar omzoomd met enkele en drievoudige rijen diamantkoppalen. Die voorkomen al jarenlang succesvol dat scooters en fietsers het plein onveilig maken. Voor de liefhebbers van het paaltjesmuseum in Rotterdam zeker een uitstapje waard.

7.

Een logisch leesbaar ontwerp maken is niet de ambitie van elke vormgever of typograaf. Op boekomslagen zien we het ook veel, de drang om in een verticaal vlak zo veel en zo groot mogelijke letters te kunnen plaatsten, die je vervolgens zelf bij elkaar moet puzzelen. Het zijn vele zijpaden op het door typografen zo gewaardeerde lettermatje, waar ontwerper Walter Nikkels ooit bekend mee is geworden. De mkb-varianten op die zienswijze zien we bij schoenenzaak PA ST in Horst of bij WO ON ZO OI in Groningen (allebei inmiddels gesloten). In Naaldwijk bestaat Makelaar MALK ENH ORST die zijn huizen TEK OOP zet, iets waar ik als letterconsument het schuim van op de bek krijg. Vooral als de afbreking dus niet op de lettergreep is. Zoals het FRI ESM USE UM in Leeuwarden. Het waarom laat zich raden, het is net als de irritante wasmiddelreclames uit de jaren negentig. Als iets de overtreffende trap van irritant is, dan hebben we het erover én blijft het plakken. Degene die dit spelletje wat mij betreft uit heeft gespeeld, is Yoni Drijfhout, verantwoordelijk voor de marketing en merchandise bij TivoliVredenburg in Utrecht. Drijfhout: „Het was eerst het ontwerp voor onze stempel als je naar binnen en buiten ging. Het was leuk dat het precies paste in een vier-bij-vierontwerp, maar letterlijk achter elkaar vond ik stom. Nu is het dit en ja, missie geslaagd denk ik. Onze medewerkers snappen het, het publiek pas na tien keer kijken. Maar ja, jij staat het toch ook weer te fotograferen, hè?’

8.

Het reclamebureau KesselsKramer heeft met het succes van de metershoge letters I Amsterdam uit 2004 een standaard gezet in de wereld van de citymarketing. Het was zo succesvol dat er zelfs te veel toeristen naar de stad kwamen. De lokletter werd een trend. De gemeente Westland zocht het met WEstland in het saamhorigheidsgevoel. Heeswijk Dinther bleef met I AM HADEE – een fonetische versie van de eerste letters van de fusiegemeente – qua kleurstelling en I AM heel dicht bij de oorspronkelijke formule. En de drie meter hoge letters van Winschoten zijn vooral duidelijk. Roermond en Terneuzen begaven zich op het pad van de rebus. Slim! Als je het ziet is het weliswaar heel flauw, maar je krijgt het nooit meer uit je hoofd. Het mooiste verhaal is wel de poging van Appingedam om in 2018 de I Amsterdam-letters over te nemen. Amsterdam wilde ervan af, dus ging er vanuit Appingedam een brief naar het Amsterdamse stadsbestuur – met een beetje husselen kan je met die letters perfect ‘I am Damster’ maken, zoals een Appingedammer het liefst wordt genoemd. Madurodam was ook in de race om de letters over te nemen: die wilden er een paar letters tussen zetten, dan werd het ‘I amadurodam’. Het werd allebei niks en nu staan de I amsterdam-letters op Schiphol, gemeente Haarlemmermeer. Appingedam nam aan het begin van dit jaar het heft in eigen hand. Met gefiguurzaagde houten letters, vastgehouden met 49 tiewrapjes, staan de letters nu te stralen bij de rotonde aan de Jan Bronsweg.

9.

De neiging van mensen om bomen in bloempotten te willen zetten is niet eenduidig te verklaren. Enerzijds speelt de drang tot welstandigheid een rol. Een boom in een pot wordt gezien als strak en netjes. De kijker ervaart dit als een verzorgde omgeving waar de natuur geen rommeltje van kan maken. In de winkelstraten van keurige gemeenten als Nijverdal, Amstelveen en Haren staan de mooiste exemplaren.

Bijkomend voordeel: je kan de bomen altijd verplaatsten en de wortels kunnen niet onder de tegels door woekeren – waardoor ze vaak schade aanbrengen aan het zorgvuldig versteende oppervlak. Dat is ook de reden waarom mensen met een voorliefde voor een betegelde voortuin kiezen voor de bloempotboom.

Daarnaast is er het decoratieve aspect. Een boom in een gekleurde bloempot heeft natuurlijk een bovengemiddelde gezelligheidsfactor. Capelle aan den IJssel is de gemeente met de hoogste bloempotbomendichtheid. Daar gebruiken ze een truc die we ook in Groningen bij de woningboulevard zagen. Er wordt een potomhulsel om de boom geplaatst, maar zonder onderkant. Zo kan de boom zijn wortels in de volle grond lustig laten groeien. Deze exemplaren bereiken een indrukwekkende omvang.

En dan is er nog de kunstuiting. Wie in Rotterdam Schiebroek in rijdt ziet vijftien gekleurde bloempotten van twee meter hoog met krentenbomen erin. Het is een kunstwerk van Yvon Koopman uit 2008 met de naam Vensterbank van Schiebroek. Het is vrolijk, het is netjes, het is gecultiveerde natuurbeleving.

10.

Waarom zoveel ondernemingen 123 een geschikt voorvoegsel vinden, leerde ik bij 123 tuintechniek (de voormalig 123growshop) in Alkmaar. Die stond vroeger gegarandeerd bovenaan in de Gouden Gids, waar de rubrieken op alfabetische volgorde stonden. Een slimme truc. Het grootste 123-imperium wordt tegenwoordig gerund vanuit Nederhorst den Berg. Daar zit 123-inkt, bekend van die gele pennen die ze gratis bij hun printerinkt leveren. Niemand gooit die pen weg– fenomenale marketing. Voor eigenaar Gerben Kreuning was die naam niet Gouden Gids-gedreven, hij is van na die tijd. Toen hij in 2000 op de Zwarte Markt in Beverwijk zijn spullen verkocht, merkte hij dat zijn klanten huiverig waren om op het internet te bestellen. Om het gemak van het nog wat vreemde fenomeen ‘webwinkel’ te benadrukken, bedacht hij de metafoor om het letterlijk in drie stappen in huis te krijgen. Bestellen, versturen, ontvangen. Want dat is de betovering van 123. Het is de suggestie van hoppeteetje, appeltje-eitje en kat in het bakkie. Snel, simpel en gemakkelijk. Ze zijn er zelfs op rijm. 123-theorie bijvoorbeeld. Of 123-bodemenergie. Dat laatste lijkt op het eerste gezicht trouwens geen makkie; de aanleg van een aardwarmtesysteem met termen als warmtelussen en sonisch verdringend boren. Maar ze hebben het in een overzichtelijk driestappenplan gegoten van onderzoek, aanleg en oplevering. Zo gepiept dus. Het is een kwestie van perspectief, de magie van 123.

11.

In de strijd van veel gemeenten om olifantenpaadjes terug te dringen, werd er jarenlang met hekwerk geëxperimenteerd. Veel effect had het vaak niet, het menselijk instinct om de kortste weg te willen nemen is weerbarstig. De boomstamblokkade is een vorm die de laatste jaren populairder is geworden. Logisch, het past in een groenere inrichting van de openbare ruimte en voor een gezond ecosysteem is een langzaam wegrottende boom alleen maar prima. Maar vooral: de verbodsbeleving van een boomstronk is veel minder dwingend dan een hek. De suggestie wordt toch een beetje gewekt dat een boom toevallig is gesneuveld en daar maar ligt te liggen. En bij een boom gaat in de regel geen mens zich afvragen ‘wat-daar-helemaal-de-bedoeling-van-is’. Die accepteren we sinds jaar en dag als een welkom element in de openbare ruimte. Al waren er wel gevallen van verbolgen olifantenpaadjesgebruikers die de boomstronk gingen verplaatsen of doorzagen.

In het Woerdense Westdampark werd de boomzaagactie een plaatselijke mediarel die slecht afliep voor de blokkade. Toch zijn er ook veel gevallen waarbij de boom zijn werk doet. Vooral waar sprake is van een enorm dikke stam en secure afdichting van élke mogelijkheid voor het ontstaan van een nieuw paadje. Maar hoe mooi een boomstronk ook is, persoonlijk heb ik toch liever uitzicht op een prachtig licht krommend, zelf gestampt olifantenpaadje dat niemand in de weg ligt.

12.

In de wereld van de cijfercreativiteit met alternatieve woordfunctie zijn er twee het populairst: de 4 en de 2. Vaak in de hoedanigheid van de Engelse uitspraak, dan transformeert het cijfer 4 in for en de 2 in to of too. De band U2 kreeg ook pas succes toen ze op die naam overstapten, volgens de overlevering de optie die door de meeste bandleden het minst werd gehaat.

De kledingketen Paris2day − met het hoofdkantoor in Klazienaveen − werkt met dezelfde succesformule. En badkamerwinkel Sani4all gaat al jaren goed met hun inclusieve benadering van sanitairverkoop. Bij dat laatste bedrijf kan je voor de keuken terecht bij Kitchen4all. Het is een breed toepasbaar concept.

In de Nederlandse taal zijn er natuurlijk ook voldoende mogelijkheden. Woonbedrijf Ieder1, snackbar de 3hoek of jeugdhulporganisatie Hai-5. Wat nu echt de marketingtechnische impact hiervan is? Het is compact en het staat iets vlotter. Niet te hip, het is een mooie mainstream formule voor een breed publiek. Maar het is vooral een mini-puzzel die iedereen meteen oplost. Iets dat toch iets beter blijft hangen dan Iedereen en Driehoek, dat is echt veel te gewoon als naam. Voor kapper Suk-6 in Leeuwarden heeft het ook een inhoudelijke reden: het was de zesde kapperszaak van voormalig eigenaar Egbert Haan, met reden dus een Suk-6.

13.

De meeste kraaien in Nederland zitten tegenwoordig op het balkon. Hun taak is de stadsduif dwarszitten, het minst gewaardeerde natuurverschijnsel in de stad. Er is een lange lijst aan ongewenst gedrag: schijten op het balkon, nesten maken, koeren, paringsgeklapper om zes uur ’s ochtends. En hun bijnaam ‘vliegende ratten’ hebben ze ook niet toevallig. Om die plaag tegen te gaan is er dus een andere plaag ontstaan, die van de ‘Blokker-kraai’, een term die eerder in NRC werd gemunt door museumbioloog Kees Moeliker. Het is een zwarte, weersbestendige kunststof kraai die vaak in een grotere moord (een groep kraaien) over verschillende balkons dienstdoet. Voor een vogelliefhebber als Moeliker is het moeilijk te verkroppen dat mensen de vogelvreugde op hun balkon níét omarmen. De ‘Blokker-kraai’ werkt bovendien slecht, de duiven gaan er gewoon op zitten. Daarom plaatsen veel balkoneigenaren duivenpinnen, ze maken een combinatie met bewegende elementen als draaiende molentjes, of ze versieren de kraai met een zilveren of gouden slinger. We zien in Blokker-kraaigebieden ook veel wapperende plastic zakjes aan het balkon hangen, de doe-het-zelf-oplossing. Maar aan de kraai zit tenminste nog natuurbeleving vast. Fotograaf Annegien van Doorn heeft in haar boek Biophilia mooi beschreven dat een artificiële natuurervaring bij de mens tóch een positief effect oplevert. Op vogelverschrikker.nl is trouwens een grote diversiteit aan vogelsoorten verkrijgbaar, een plastic ekster, een slechtvalk, een oehoe, al dan niet met geluid. Het stedelijke balkon zou rijk kunnen zijn aan de meest diverse vogelsoorten. Maar ja, die zijn wel vijf keer zo duur.

14.

In de fonetische ambitie om buitenlandse leenwoorden te hertalen, loopt het midden- en kleinbedrijf voorop. Sjatoo Wijnkopers uit Breukelen bijvoorbeeld, een schoolvoorbeeld van dit genre. De pretentie van het Franse woord château is er meteen af, maar de betekenis blijft én je hebt nog een ludieke lading. Caravanbar Sjatoo bestaat trouwens ook, maar dat is zo’n ander segment dat het elkaar niet in de wielen rijdt. Feestcafé Odeklonje in Den Helder bedient zich van dezelfde methode. Lekker normaal, past veel beter bij Den Helder dan eau de cologne. Sneek is misschien wel koploper in het fonetische aanbod. Daar zit Suus Fotosjop, poolcentrum De Garaazje en brillenwinkel Optisjen. Maar die laatste gaat veel dieper dan gedacht. Martin Gorter van Optisjen zocht een nieuwe naam en ‘sjen’ is ook het Friese woord voor zien. „Een vriendin van onze dtp’er in Dalfsen heeft dat idee toen even getest bij de rij voor de oliebollenkraam, nou iedereen vond het een topnaam en dat is gebleken. Als mensen zich afvragen wat het nu is, dan is het helemaal goed. ‘Opticien?’ ‘Nee, Optisjen!’ ‘Optisjen?’ ‘Ja, Optisjen!’ Nou, dan hebben ze onze naam al vier keer genoemd. Vergeten ze nooit meer.” Het subgenre om buitenlandse woorden weer te hertalen naar de eigen taal gaat ook op voor restaurant Niej-Jork uit Venlo. Het is het restaurant van Hotel American, vandaar.

15.

Er is geen paal die het zwaarder heeft in het verkeerslandschap dan de gele verkeerszuil. Niet zo verwonderlijk, hij is de frontsoldaat die juist op de gevaarlijke plekken – bij rotondes, wegversmallingen en verkeersheuvels – de gewenste rijrichting staat te duiden. Er leek een oplossing voor dit slagveld. De nieuwste exemplaren, bijvoorbeeld de Flexpost BB22, zijn vervaardigd van een buigzaam materiaal en kunnen na een aanrijding of ‘touchering’ gewoon weer terugveren. Tot het een keertje ophoudt. Voor directeur Raoul van der Struik van Erdi, een bedrijf in onder meer wegbebakening in Zaandam, is het een bekend verhaal. „De verkeerszuil heeft een hoge sneuvelfactor, maar dat komt omdat ie ook juist op aanrijdingsgevoelige plaatsen staat.” Het incasseringsvermogen voordat een zuil eenmaal knock-out gaat is wel hoog. En er is al een hoop ontwikkeling geweest. Misschien kent u nog de oude ANWB-verkeerszuil, een meer vierkante stalen constructie met binnenverlichting. Vanaf eind vorig eeuw zijn ze allemaal vervangen, je ziet hem tegenwoordig nog wel eens decoratief dienstdoen in een voortuin. Van der Struik: „Als je één keer tegen zo’n jongen aan was gereden leerde je het wel af, want dan lag je zelf in de prak. Nu merken vrachtwagens het vaak niet eens. Maar het scheelt dus een hoop schade en een hoop reparaties van de zuil zelf.”

17.

Mijn oom Sjaak veranderde zijn naam ooit in oom Jacques. Al sprak hij het nog wel gewoon uit als Sjaak, op papier had het ineens aan allure gewonnen. Ik heb het hem nooit gevraagd, maar ik vermoed dat hij een chiquere uitdrukking van hetzelfde woord ambieerde. De ‘Oom Sjaak-methode’ is in marketingland heel populair geworden, blijkbaar werkt het. De letter K is robuust, duidelijk maar geen marketingtijger. Met een Q voor de K maakt je onderneming meteen aanspraak op een premium imago. Bij de niet meer bestaande supermarkt Marqt viel het ’t eerst op, van daaruit bleek het besmettelijk. Vooral in de kapperswereld. Qnipp, Qnipsels en Kapsalon Straq, het bestaat allemaal. Of autospuiter Laque langs de A4 in Leiden, die het zoals Oom Jacques heeft uitwerkt. Dan heb je natuurlijk ook de afdeling humor, Wijnzaak Cloinq in Groningen bijvoorbeeld. Maak er dan ook Qloinq van zou je zeggen. Zou het er misschien mee te maken kunnen hebben dat de Q de minst gebruikte letter is uit het alfabet en die schaarste hem juist zo aantrekkelijk maakt? De buitencategorie in Q-gebruik vormt een segment waarbij het hardop uitspreken noodzakelijk is. Kindercentrum Qworzo uit Woldendorp bijvoorbeeld (‘ik word zo’) of de Mongoolse yurt-camping van Ben en Anne-Marie Roelofs: QKLQ. Omdat ze vroeger ook kippen hadden. Of nee, Qippen natuurlijk.

18.

Een tuindoek is de meeste efficiënte manier om het uitzicht in de achtertuin naar je hand te zetten. Het reguliere perspectief is vaak een saaie schutting of een monotone bakstenen muur. Praktisch om de erfgrens te manifesteren, maar op esthetisch vlak heeft het zijn tekortkomingen. De laatste decennia zijn daarom sfeermakers in opkomst die je kant-en-klaar op kan hangen. Mensen gaan voor een nieuw uitzicht naar het tuincentrum, maar online is er nog veel meer mogelijk. Voor een paar tientjes heb je een geheel nieuw en onderhoudsvrij panorama. Vaak zijn het vergezichten die spelen met de trompe-l’oeil-beleving, de zinsbegoocheling dat je denkt er een raam in de schutting zit met een oogverblindend uitzicht. Zo zag ik in de Rotterdamse wijk Schiebroek prachtig openslaande luiken die de kijker een doorkijkje naar een prachtig schelpenstrand geven. Maar dat letterlijk oogverblindende, dat je bijna niets meer ziet, dát is de laatste jaren steeds meer dominant. Want de garantie ‘weersbestendig’ wordt bij de fabrikant wel vaak gegeven, maar de realiteit laat iets anders zien. Zo ontstaat een nieuw te observeren fenomeen: zonnige uitzichten die zelf te veel zon hebben gezien. Het extreemste geval zag ik bij Walter en Daniëlle Faas in Heerhugowaard. Die hadden een foto van hun drie kinderen op het strand in Denemarken aan de muur. Maar dat doek is nu na een jaar of dertien trouwe dienst op het zuiden weer terug bij af. Een blanco canvas. Heeft ook wel wat, het is een nieuw begin.

19.

Al decennia is er een gifgroen figuurtje verantwoordelijk voor het temmen van de wegpiraat. Duizenden staan er in Nederland langs de kant van de weg. Hier heeft hij ooit de naam Victor Veilig gekregen, waarschijnlijk de uitkomst van een niet zo heel geslaagde brainstormsessie. In Duitsland heet hij Bennie Brems – veel beter want meteen actiegericht – en in Engeland Safety Sam, bekt ook lekkerder. Victor Veilig, of het ‘verkeersmaatje’ zoals hij in de markt is gezet, zag vierentwintig jaar geleden het licht in de Verenigde Staten, in Ohio bij de speelgoedfabrikant Step2. Die noemde zijn ‘visual warning buddy’ heel treffend KidAlert! In Amerika woedt trouwens al jaren een debat of het figuurtje nu een kind of een schildpad is, want er zijn ook mensen die hem traffic turtle noemen, logisch want die zijn natuurlijk iconisch langzaam. Maar schildpad of kind: de grootste kwaliteit van Viktor Veilig lijkt zijn opofferingsgezindheid, want in zijn plicht om verkeersslachtoffers te voorkomen is hij vaak zelf het slachtoffer. Zijn vlaggetje is er vaak als eerste afgereden, zijn petje sneuvelt niet lang erna, dan zijn ogen en vaak zie je hem ook op één been. Is het niet de hardrijder dan is het wel dronken fietsende tienerjeugd. Steeds meer zien we hem, na jaren écht gifgroen uitgeslagen, als een Houdini met kettingen en cijfersloten aan een lantarenpaal vastgesnoerd. Of ie dan nog effect heeft? In Pieterburen hebben ze iets bedacht wat zeker werkt. Een Victor Veilig van twee meter hoog, handgemaakt en niet met de tekst ‘slow’ maar met ‘yo yo’. Eigen ontwerp loont.

20.

In marketingland wordt vaak een beroep gedaan op de letter Z als de S te saai lijkt. Het viel mij voor het eerst op bij mijn vriend Wim Moorman, die in de jaren tachtig voetbalde bij Helmond Sport. Zijn grootste wapenfeit was een 3-0 overwinning op het FC Barcelona van coach Johan Cruyff in een oefenwedstrijd. Dat was al opvallend, maar nóg opvallender was dat Wim speelde in een shirt van hoofdsponsor Tappaz. Tappaz? Eerder behandelden we al in deze rubriek de opkomst van de letter Q ten koste van de K, maar de slag om S-klank gaat in het Nederlandse taalgebied nog veel verder terug. De Q wordt gezien als een premium letter en dat straalt af op je merk. Maar wat straalt de Z uit? Café Preziez, frietzaak Pieperz? Brasserie Kriebelz? Wat is nu de winst? Speelser? Onderscheidender? Hipper? Waarschijnlijk een combinatie van dit alles maar vooral: een beetje gek maar vooral niet té gek. Het is een relatief veilige vorm van onderscheidende merkpositionering. Het Z-gebruik is intussen zo mainstream dat je de onderscheidende kwaliteit wel kan betwisten. Je hebt intussen verschillende categorieën: het instapmodel, van de laatste S een Z maken, zoals  Café Borrelz, Kapper Intenz, frietzaak Pieperz. Dan de verdubbelaar zoals Pilz & Grillz en Chickz & Chipz. En dan hebben we nog de (onnodige) overdrijving, de Streekbuzz bijvoorbeeld. Dat vinden wij eigenlijk alleen werken als het inhoudelijk ook iets toevoegt. Een kussenfabrikant uit Eygelshoven rijdt rond in busjes met de bedrijfsnaam Kuszzz. Dat wordt nog weleens verward met een zoen. Het allerbeste is waarschijnlijk beddenwinkel Zzznurk uit Weert. Eigenaar Ruud Pleunis heeft de zaak van zijn ouders, Pleunis Slaapcomfort, overgenomen en gerebrand. „Vooral online doet Zzznurk het goed. En we hebben er voor de eenheid ook maar Pleuniz van gemaakt. Goed he?”

21.

Hoe een kunstwerk opklimt tot de iconische koektrommelstatus, daar is geen handleiding voor. Maar als we de populariteit van het Meisje met de parel volgen komen we misschien een eind. Johannes Vermeer schilderde in 1665 een doek dat dik drie eeuwen bekend stond als ‘Meisje met tulband’. Tot de marketingafdeling van het Mauritshuis in 1995 bedacht dat de aandacht op de dikke glimmer moest komen te liggen. Het werd ‘Meisje met de parel’. Later bleek dat zo’n glanzende knoeperd helemaal geen parel kón zijn, maar de naam was al de hele wereld over gegaan. En wat maakt het uit, het meisje met de nepparel heeft ook niet echt voor Vermeer geposeerd. Het is een tronie, een portret van de fantasie. Eigenlijk hoe ChatGPT nu zou werken als je ‘fanatiek’ zou prompten met ‘verliefdmakende blik die je van alle kanten aan lijkt te kijken’ en ‘met tulband van lapis lazuli’. De ‘Mona Lisa van het Noorden’ is intussen zo gewaardeerd dat je het meisje ook in de betaalbare eregalerij van de IKEA en de Hornbach in huis kan halen. En in de openbare ruimte is het ook een begrip. Het mooiste vind ik het ‘Meisje met de parel op de parkeermeter’ in Amsterdam. De beeldrijm van parkeermeterblauw en de ultramarijnblauwe tulband van het meisje: een voortreffelijke combinatie. Vraag is alleen hoelang de parkeermeter blijft staan. Met de opmars van het app-parkeren is het een kwestie van tijd. Moeten we toch weer naar het Mauritshuis.

22.

In de wereld van de Mo-naamgeving komen twee stromingen samen: het is óf Mohammed óf Monique. Maar welke het ook is, de informele versie van deze namen maakt de onderneming in één klap sympathiek. Het is of je bij een goede vriend binnenstapt: ‘Mo!’ Meteen vertrouwd en gezellig. Mo’s Art Galerie in Doorn bijvoorbeeld, waar Monique Negenman haar schilderwerk signeert met ‘Mo 9’. Of Kapper Mo uit Weesp. Een simpeler en doeltreffender ontwerp op de ruit bestaat er niet. Bij kappers is het sowieso een veelvoorkomende naam. Monique van Mo’s Hairway uit Veldhoven bijvoorbeeld, al twee keer uitgeroepen tot leukste kapsalon van Veldhoven: „Er zijn wel veel mensen die denken dat Mohammed hier knipt, maar dat zien ze snel genoeg hoor.” Dan Mohammed Kahn, werkte ooit bij KLM maar kreeg altijd zo veel complimenten van zijn collega’s over het eten dat hij meenam dat hij daar maar in door is gegaan onder de naam Mo’s Kitchen. En Mo’s Place was al tientallen jaren een begrip in Steenwijk, maar Mohamed Hussain heeft net de overstap gemaakt naar een nieuwe zaak in Havelte. Mohammed van Mo-tallic in Emmeloord, een ‘ijzersterk’ lasbedrijf, die zelf niet op de foto wilde, krijgt wat mij betreft wel de prijs voor de origineelste vondst. Hoewel de wolwinkel van Mo & More uit Noordgouwe in Zeeland ook hoge ogen gooit. „Ik verkoop naast wol alles wat ik leuk vind, ook manden of theepotten, dus dat is dan de ‘more’.” Zo kan Mo ook mee in de categorie van ‘winkels met & More achter hun naam’, maar dat is voor een andere keer.

23.

Een paar jaar geleden ging de zichzelf tegensprekende nagelsalon Only Nails & More viral. Een klassiek gevalletje hinken op twee gedachten. De drang om te specialiseren in één product, maar ook willen laten weten dat er nog veel meer te vinden is. Die behoefte van het midden- en kleinbedrijf om altijd te willen laten weten dat er in de winkel beslist geen monocultuur heerst, wordt in Nederland op twee manieren ondervangen. Vaak wordt gekozen voor de toevoeging ‘& zo’ of ‘enzo’. Dat heeft een wat terloopse en vanzelfsprekende toon, zo van ja, tuurlijk, enzovoorts. Het verwachtingspatroon bij de andere optie, het gebruik van ‘& more’, is anders, dwingender. Je hoort de klemtoon meteen omhooggaan. Pizza én more! Coffee én more! Het bevat veel meer een verlangen naar alles wat naast de hoofdactiviteit wordt aangeboden. De belofte is groter. We kunnen dit onderwerp uitsplitsen in verschillende categorieën. Er is de letterlijke duiding: Olives en More, Music en More. Helder hoofdproduct, dan de rest. Maar dan hebben we woonwinkel Mooi & More, of het Moments en More van de tankstations van Vissers Energy. Die werken met wat ze in de marketing ‘beleving’ noemen. Want wat is het ‘meer’ ná ‘mooi’? Of de ‘more’ na de ‘moments’ die je beleeft als je naar de wc gaat, de benzine afrekent en twijfelt over het frituuraanbod? Waarschijnlijk de gratis wifi. In Apeldoorn zit een autorijschool met de origineelste invulling: Les is More. De bedenker is eigenaar André van der Lugt zelf. „‘Rijschool André van der Lugt’ had ook gekund maar wat zegt de mensen dat? Niks. Dit onthoudt iedereen.”

24.

Het puntgebruik na een merknaam heeft sinds het succes van het blad LINDA. een enorme vlucht genomen. Het fenomeen werkt twee kanten op. Aan de ene kant suggereert het dat één woord de zeggingskracht heeft van een hele zin door er een punt achter te zetten. Aan de andere kant communiceert het een ‘punt uit’-gevoel. Zoals Boer-PUNT. Bam, het beste familiebedrijf uit Staphorst dat alles heeft. Roobol-PUNT. Hatsa, de beste tapijten en gordijnen, niks anders. Toetje-PUNT. IJs, koffie, taart, de hele rimram hebben ze. Het promoveert de merknaam tot kopstation van een genre, tot een autoriteit waar je schijnbaar niet omheen kan. Dit is het, je hoeft niet verder te zoeken. Het toppunt van (overbodig) puntgebruik is trouwens de website RUMAG. Een pleisterplaats voor humor uit de kelderklasse, gemaakte semi-grove gebbetjes waar dan T-shirts en mokken van worden gemaakt. Het zijn zinnetjes waar.achter.elk.woord.een.punt.staat. Dat lijkt dan heel erg te benadrukken dat er wél iets monumentaal grappigs staat. Waar het voor mij echt gaat werken is als het puntgebruik ook een geografische betekenis heeft, in de vorm van het TANDARTSENPUNT in Amsterdam. Jammer dat ze het niet aandurfden om alleen de punt te laten staan, voor de duidelijkheid hebben ze het toch uitgeschreven. Dan doet de gemeentelijke vuilstort in de hoofdstad het beter met het afvalpunt, het letterlijke kopstation voor alles wat je niet meer in huis wil hebben. Punt uit.

25.

Je kan van de schanskorf veel zeggen, maar niet dat-ie zich in de loop der eeuwen niet heeft ontwikkeld. De bouwmethode van (breuk)steen in mandvorm werd eeuwen geleden al gebruikt voor militaire of waterbouwkundige fortificaties, vaak nog met aarde in plaats van steen. Er is zelfs even gedacht dat Leonardo da Vinci, de homo universalis, de schanskorf had uitgevonden. Hij noemde de funderingen die hij maakte voor de Castello Sforzesco in Milaan ‘Corbeille Leonard’, de mand van Leonard. Maar een goed idee is zelden eenzaam, anderen waren hem voorgegaan. Fast forward naar 2025 en de schanskorf kent vele vormen. Het landschap van de gekooide stenen beslaat een breed spectrum, van geluidswal tot bloembak, zowel functioneel als decoratief. De hoofdstad van de schanskorf is zonder twijfel Borger, waar naast het grootste hunebed van Nederland (D27), ook veel schanskorfschoonheid te zien is. De VVV heeft gevelbekleding van breuksteen, de pizzeria, de supermarkt, er is geen houden aan. Een inwoner had zelfs zijn brievenbus uit een schanskorf opgetrokken. Verantwoordelijk voor het centrum in Borger is ‘dé schanskorfspecialist van Europa’, het bedrijf Gabinova. „Die naam staat voor ‘nieuwe schanskorf”, zegt medewerker Twan de Groot. „Alles maken wij op maat, van open haard tot geluidswal. We hebben 19 soorten breuksteen op voorraad. Basalt is het populairst, en Yellow Sun voor wie wat chiquer wil. We hebben ook grijze Doornikse breuksteen of Salzburger marmer rood. Met een schanskorf kan je alle kanten op.

26.

De opengebroken vuilnisbak is in de grote steden sinds de invoering van statiegeld op blikjes een fenomeen. De oorzaak is bekend, het is het werk van mensen die een bescheiden verdienmodel hebben gevonden door statiegeldblikjes en -flessen uit de bakken te vissen, maar nog geen manier hebben gevonden om de bak daarbij heel te laten. Er is intussen druk geëxperimenteerd met oplossingen, waaronder de doneerring om de bak, waar mensen hun blikje in konden zetten. Dat werkte slecht, want mensen duwden er ook milkshakebekers en ander statiegeldloos materiaal in. Binnenkort komt de gemeente Amsterdam met een nieuw idee: het slot op de bak gaat eraf en er wordt een magneet met een veer geplaatst. Iedereen kan de vuilnisbak dus opentrekken zonder hem te slopen. En er komen afvalzakken van doorzichtig plastic. Zo kunnen statiegeldrapers meteen zien of er iets te halen valt. Eureka zou je zeggen. Maar wat we dan gaan missen is de schoonheid van de improvisatie . De burger die het recht in eigen hand neemt met een rol ducttape. Of de gemeentereiniging die, net als de kunstenaar Christo in zijn beste jaren, het hele object inpakt. Het Rotterdamse model is ook het overwegen waard: de kapotte vuilnisbak dichttapen en een sticker met SORRY erop plakken. Navraag leert dat die sticker vooral in Rotterdam Zuid wordt gebruikt, vanwege de goede publieksreacties. Zo simpel kan het zijn, gewoon even sorry zeggen voor het ongemak.